|
Hij brengt ons met zijn oude auto naar het adres toe. Het is vanuit het
centrum een kwartiertje reizen. De kamer heeft een balkon dat op moestuintjes
uitkijkt, een eigen koelkastje, een koffiezetapparaat (nou ja, een waterkoker)
en een extra bed dat voor Robbert is bestemd. Jos geeft de huurbaas, die we voor
het gemak maar Laszlo dopen, DM 10 fooi. Laszlo gaat ons bij de autoriteiten
inschrijven, terwijl wij uitrusten en ons installeren. We missen een ruime
klerenkast. Laszlo, die van beroep elektricien is, heeft het huis zelf gebouwd
en dat is te zien ook. Na anderhalf uur keert Laszlo terug van het politiebureau
en kunnen wij de stad in. Het is dan inmiddels vijf uur.

We gebruiken de tram en de metro. Als uitgangsbasis fungeert het Ors Vezer Tèr (Tèr
= plein). We kopen een dagkaart voor één gulden. De verbindingen met het
openbaar vervoer zijn goed en verre van duur. In het centrum stappen we bij Déak
Tèr uit. Daar beginnen we onze wandeling door de straten aan de Binnenring. We
eten Cubaans bij restaurant "Habana" op het terras dat in een mager
lentezonnetje ligt. We lopen verder langs monumentale gebouwen uit de vorige
eeuw: het Parlement, Ministeries, immense bankgebouwen uit de glorietijd van de
Donau - monarchie, paleizen, patriciërshuizen en tv-studio's. Nadat de
duisternis ingevallen is, wordt het kouder en we hebben geen jassen bij ons.
Regelmatig lopen we de binnenplaatsen van de oude huukazernes binnen om daar
de architectuur te bewonderen; vaak is die classicistisch van aard en soms ook
in Jugendstil.

Van half negen tot half elf zitten we in café Berlin, gespecialiseerd in Duitse
clichés. We doen ons er tegoed aan het cliché Bier. De prijzen zijn er iets
hoger, maar dat belet Clim niet om toch fooi te geven. Een oudere 'jongedame'
speelt op de piano en zingt liedjes van Elvis.
Met de métro zijn we snel terug bij ons appartement. Bij gebrek aan bier drinken
we op 'ons' terras jonge jenever en whisky uit de flacons die Jos voor
noodgevallen altijd bij zich heeft. We praten nog wat na, maar overmand door
vermoeidheid duiken we even na twaalf toch maar onder de wol.


|