Enkele feiten over en indrukken van
communistisch Roemenië
(OPGEDAAN TIJDENS REIZEN IN 1973, 1980 EN 1981)
Stationsgebouw in Constanta
Het
verschil, zeg maar kloof, tussen stad en platteland is ontstellend groot. Dit
is trouwens in alle Balkanlanden het geval. De mobiliteit is erg beperkt. De
afstanden zijn groot en de natuur is vaak erg woest. Veel dorpen en streken
blijven zo gedwongen in een isolementspositie. Tekenen hiervan: buiten de
hoofdweg is er niets geplaveid. Nergens bespeurt men confectiekleding: de
bevolking maakt haar kleding zelf. Iedereen loopt, fietst of rijdt paard of
ezel, al of niet met kar. Oude vrouwen en kinderen hoeden persoonlijk de hele
dag een of twee koeien of ander rundvee, schapen, varkens of geiten. Voor de
karren sjokken vaak nog ossen. Kippen en ander pluimvee (vooral ganzen!) lopen
vrij op de openbare weg rond en brengen zo het doorgaande snelverkeer in
gevaar.
De
boeren (ook de vrouwen) werken iedere dag van 5 uur ‘s morgens tot 8 à 9 uur
's avonds. Om de kilometer ligt er een waterput langs de weg. Alle kinderen
zwaaien vrolijk naar de voorbijrazende auto's. De kolchoz is het enige
bedrijf dat gemotoriseerd vervoer of mechanisatie kent. Elk dorp kent een
overvloed aan propagandaborden met de leuzen:
Republica Socialistica Rumania of Partidul
Comunisti Rumana. Als je met de auto stopt, dan rent de bevolking
schuw weg, vooral de oudere vrouwtjes en meisjes. Op het platteland valt het
grote aantal zigeuners op; zij leven in erbarmelijke omstandigheden. Zij
worden door de lokale bevolking als uitschot beschouwd.
De
meer geschoolde bevolking is overwegend anti-Russisch ingesteld. Ze zeggen: de
Russen zijn dieven. Ze pikken land weg (Bessarabië en vruchtbare zwarte aarde
‑ vlakten ten oosten van de Karpaten!) en ook nog de door ons voortgebrachte
producten. Ze zijn er het allemaal over eens dat partijleden zich schaamteloos
verrijken ten koste van de normale burgerbevolking. In hun ogen zijn het
strebers die binnen de partij kruiwagens zoeken om hun maatschappelijke
positie te verbeteren. De studenten foeteren op het overwegend technisch en
natuurwetenschappelijk georiënteerde onderwijs. Toch noemen ze zich allemaal
zonder uitzondering socialist.
Voor
de doorsneebevolking maakt een regiem, welk dan ook, niet veel uit. Er is
niets nieuws onder de zon. Werken moeten ze toch altijd. En of je nu door de
hond of de kat gebeten wordt: gebeten word je toch. Het maakt hun allemaal
niet zo veel uit, zo te zien en te horen. Als je maar regelmatig je natje en
droogje hebt hoef je ook niet veel te klagen. Ze zijn nog erg religieus
ingesteld, wat over het algemeen een onderdanige en berustende houding
bevordert, want God is het die beschikt en niemand anders.
Iedereen is verplicht om een schutting om zijn huis(je) bouwen. Dit is
voorschrift, misschien wel ingegeven om inbrekers op afstand te houden. Veel dorpen krijgen op die manier een besloten karakter dat niet
erg gastvrij overkomt. Als je eenmaal die schutting gepasseerd bent is de
gastvrijheid doorgaans grenzeloos.
Praktisch alle industrieën kennen een ongelooflijke stankverspreiding en
luchtvervuiling. Hiertegen worden klaarblijkelijk geen maatregelen
genomen, dat kost namelijk een boel extra geld. Vaak rijdt men er gewoon door
een onnatuurlijke, vaalbruine mist, kilometerslang. In die gebieden lopen de
mensen op straat dan ook vaak met hun zakdoek voor de mond. Het aantal
sterftegevallen als gevolg van kanker ligt in die gebieden schrikbarend hoog.