|

|
INLEIDING
Karnaval 2009. Jos is alleen op stap in de
Filippijnen. Hij bevindt zich in het noorden van het hoofdeiland
Luzon nabij Banaue in de bergen van de Cordillera Central, temidden
van de prachtige rijstterrassen van de bergstam Ifugao. Die sawa's
zijn duizenden jaren oud en bedekken complete bergen. Ze staan op de
Werelderfgoederenlijst van de Unesco. |

Een motorriksja brengt me terug naar het hotel. Het is dan pas twaalf uur. De
koffie in het hotel is afschuwelijk, dus drink ik thee op mijn kamer met koekjes
bij wijze van lunch en begin op het balkon een boek te lezen. Na een tijdje
begint het me te kriebelen. Ik kan mijn tijd hier wel beter besteden en besluit
de rijstvelden aan de voet van het hotel nader te gaan verkennen.
Straatarme inlanders
Allereerst beland ik na een fikse afdaling bij een gehucht met straatarme
inlanders. Ze verkopen wat houtwerk en werken verder op de velden. Hun woningen
staan op palen. De kindertjes zijn bijna naakt. De honden gapen lusteloos. De
hanen waken parmantig over hun kippetjes. Ik loop de velden in. De aarden
walletjes die de velden scheiden zijn hier vervangen door beton, dat loopt
lekker. Maar al gauw gaan ze over in lemen dijkjes met smalle paadjes.
Pubers als gids
Ik kom twee jongens van rond zestien tegen die zich als gids aanbieden. Daar ga
ik op in. Voor vier euro charter ik hun. Zij zullen me naar een verderop gelegen
groter dorp leiden waar ik dan een jeepney terug naar het hotel kan nemen. Het
is stralend weer, de jongens zijn aardig en spreken een behoorlijk woordje
Engels; niets aan de hand dus. We zijn ongeveer halverwege als we over een wat
breder pad langs een irrigatiekanaaltje langs de bergwand lopen. Het lijkt veel
op de levada’s in Madeira, hetzelfde systeem. Plotseling valt er een schaduw
over ons heen. Van achter de berg trekt een donkere wolk onze vallei binnen. Ik
hoor donderslagen en zie bliksemschichten. Niet lang daarna breekt er een
tropische storm los. Het zicht wordt door dat regengordijn beperkt tot nog geen
tien meter. Ik steek mijn paraplu op, maar dat heeft weinig zin. Een van de
boys: “Your umbrella is too small, sir!” Inderdaad, ik raak hoe dan ook
tot op mijn bot doorweekt. Om mijn rugzak met de important things
droog te houden ga ik mijn rugzak op mijn buik dragen. Die tactiek
heb ik van de inlanders afgekeken. Nadeel hiervan is dat ik niet meer kan zien
waar ik mijn voeten neerplant.

 |
 |
De regengoden gunstig stemmen
We bereiken een soort schuilhut, een afdak op vier betonnen palen. Daar krijgen
we gezelschap van steeds meer inlanders die de velden zijn ontvlucht. Na een
tijdje sta ik, met mijn schamele 1.76 meter een kop groter, midden tussen de
haveloze dijkonderhouders met rode tanden van het betelsap, een soort wegwerkers
dus. Ze behoren tot de laagste klasse, want ze zijn landloos. Een van hun begint
monotoon te zingen, andere vallen hem bij, maar wel met een ander lied. Anthony,
een van de guideboys, vertelt me dat ze met hun gezang de regengod tot bedaren
willen brengen. Het wordt net geen kakofonie, maar van close harmony is zeker
geen sprake. De hevige slagregens houden aan. De boys stellen voor terug te
keren, aangezien de wegen vanaf het doeldorp inmiddels onbegaanbaar zijn
geworden en ik dus gedwongen zal zijn in het dorp te overnachten. Daar pas ik
voor, dus ik stem met hun voorstel in en we gaan dezelfde moeizame weg terug.
Hoofd koel houden
Het wordt een tocht vol halsbrekende toeren, want de velden zijn overstroomd, de
lemen paadjes op de dijkjes zijn weggespoeld of watervalletjes geworden. Daar
moet ik dus doorheen. Vaak zak ik tot mijn knieën in de zuigende modder. Vooral
langs het irrigatiekanaal is het link. Eén misstap en ik stort 20, 30 meter naar
beneden. Ik hou echter mijn hoofd koel; paniek is het laatste wat ik in deze
netelige situatie kan gebruiken. De twee gidsen trekken me letterlijk spekgladde
hellingen op en weer af. Steeds meer dijkjes begeven het onder dat geweld en
brokkelen af, waardoor we soms een omweg moeten maken.

 |
 |
Rijstgodin met vagina
Het kost ons tweemaal zoveel tijd om met veel gebalanceer terug te keren naar
het inboorlingennederzetting. Daar tonen de jongens me een van hun voorouders
die 120 jaar oud is geworden. In doeken gewikkeld komt een mannelijk skelet te
voorschijn, de knekels worden door een oudere man zorgvuldig tot een toonbaar
geraamte “gereconstrueerd”. Vol trots halen ze ook een primitief houten beeld te
voorschijn: het stelt de rijstgodin met een heuse vaginale gleuf voor.
Totaal afgebrand
Tenslotte volgt nog een steile helling naar het hotel met een ‘trap’ van
ongelijke treden tussen de 10 en 60 centimeter. Mijn roestige heupen en
knikkende knieën schrijnen en weigeren steeds vaker dienst. Strompelend en mijn
pijn verbijtend moet ik om de tien meter pauzeren om tot rust te komen.
Hellingen beklimmen en trappen lopen valt me steeds zwaarder nu mijn spieren zo
snel verzuurd raken (waarschijnlijk door die schrompelnier). Vooral mijn
linkerheup veroorzaakt helse pijnen, de tranen staan me in de ogen. Uiteindelijk
bereik ik volkomen uitgeput mijn hotelkamer, waar ik linea recta met kleren en
al onder de hete douche kruip. De hele douchevloer ziet bruin van het slijk. Ik
spoel mijn schoenen grondig uit; het kost drie dagen om ze weer droog te
krijgen.
 |
 |
Wodka brengt rust
‘s Morgens heb ik in de dorpswinkel een fles Cossack - wodka gekocht. Ik dacht
dat die 650 pesos kostte, maar dat bleek slechts 65 p te zijn, welgeteld 1.20
euro! Ik besluit de fles te openen om de goede afloop van mijn hachelijk
avontuur te vieren, maar ik krijg hem met geen mogelijkheid open. Uiteindelijk
moet ik met behulp van mijn Zwitserse legermes een gat in de metalen dop boren.
De wodka is plaatselijk gestookt en smaakt zoals hij moet smaken: smakeloos,
maar wel sterk. De rest van de avond rust ik uit van de vermoeienissen. Het
avondeten sla ik over.

|