|
|
![]() |
![]() |
Om half negen uitchecken, een kwartier later zit ik al in de rechtstreekse bus naar de oasestad (en -streek) Al Fay'youm. De hotelboy Farouk helpt me met het kaartje. Ik kom langs de piramides, waarvan ik alleen vage silhouetten zie; de lucht zit vol met minuscule zandkorreltjes. Er volgt een rit door kaal woestijnlandschap aan de westelijke kant van de levensader de Nijl. Om 11 uur al kom ik aan in Al Fay'youm. Het is een betrekkelijk schoon stadje van toch nog 300.000 inwoners, centrum van de vruchtbare oasestreek er rond omheen, marktstad en administratief centrum van de provincie. Ik charter een paardenkar die me naar het beste hotel van de stad brengt: dat vraagt fl 14 p.p., ontbijt inbegrepen. Wel met gezamenlijke douche en toilet, die zijn gelukkig goed gepoetst.
Aan de balie krijg ik taalproblemen. Een Egyptische Amerikaan met filosofische inslag constateert dat het Engels van de receptionist even armzalig is als zijn leven. Dat vind ik fraai uitgedrukt, er huist een dichter in die forse Amerikaan... Die receptionist is een erg vroom man; verschillende keren moet ik langdurig op hem wachten omdat hij net geknield op een tapijtje ligt te bidden. Een kreupele piccolo van over de zeventig brengt puffend en steunend mijn tas naar boven. Daarna is hij zo uitgeput dat hij niet eens meer zijn hand voor een fooi kan ophouden. Een bijzonder Spartaanse kamer zonder kast of stoel is mijn deel.
‘s Middags ga ik de binnenstad verkennen, die wordt doorsneden door een kanaal. Langs de straten is markt. Ik zie nergens toeristen. Al dwalend beland ik buiten de stad in de groene akkers en bevloeide velden, omzoomd door palmenrijen.
Daar word ik gevolgd door een simpele boer met een jonge vent die een akker naast hem bewerkt. Aanvankelijk verlopen de contacten vriendelijk, ik kan zelfs een foto van hen maken, maar na enige tijd beginnen ze te bedelen. Ik heb niks bij me en ben trouwens ook niet van plan hun ongetwijfeld karig gevulde beurs te spekken. Ik krijg het een beetje benauwd als ze steeds driester worden naarmate ik verder doordring in hun 'territorium'. Op een gegeven moment versperren ze me de weg en pakt de jongere boer me vast. Hij bedreigt me en eist mijn camera en mijn beurs op. Ik doe alsof ik zwicht voor hun druk en maak aanstalten om mijn beurs te pakken. Op dat ogenblik verslapt hun aandacht en kan ik er tussenuit knijpen door een sluis over te vluchten. Even later wordt die door boeren van een ander dorp opengetrokken. Dat is mijn redding, mijn achtervolgers kunnen er net niet meer door. Bovendien zijn er nu ook nog eens getuigen van een eventuele beroving. De schooiers blijven vloekend achter en bekogelen me vanaf de andere kant van het kanaal met stenen en kluiten aarde. Ik weet die behendig te ontwijken en ben blij dat ik als kind goed was in trefbal.
|
|
De twee boeren nabij de grote oase
|
Ik kom terecht in een dorpje (het stikt hier van de dorpjes, zo vruchtbaar is het) waar net de basisschool uitgaat. Omringd door aardige kinderen loop ik richting hoofdweg. Een groep jochies blijft bij me, ik leer hun een beetje Engels. Grif gaan ze op de foto. Een hele slimmerik blijft wat langer bij me hangen. Ik drink thee in een volgend dorp; het cafeetje waar ik neerstrijk lijkt wel een vliegenfokkerij. Een tweede glaasje thee krijg ik als speciale gast gratis! Na die onaangename ervaring in de velden krijg ik toch weer wat vertrouwen in de mensheid. Het volk in dit deel van de oase is uitsluitend traditioneel gekleed in lange djellaba's, kaftans en bournouzen (Ik weet niet precies hoe die mantels hier genoemd worden.) Velen hebben een doek om hun hoofd gedraaid. Ik hou een busje aan dat me voor een kwartje terugbrengt naar de stad. Voor mijn gevoel is het net alsof ik het straatarme en achtergebleven platteland van India heb verlaten.
![]() |
![]() |
Half negen vertrek met de Super Jet - bus via de woestijnweg naar Cairo. Snelle rit. Er zit een hostess op de bus, die vergeet me te waarschuwen in Cairo, waardoor ik 10 km te ver meerij en in Heliopolis beland. Nou ja, ben ik ook eens in deze satellietstad met zijn moderne gebouwen geweest. Taxi terug. Ruzie met chauffeur omdat die me bij aflevering wil afzetten, hij eist 2 maal de prijs die we hebben afgesproken. Hij veinst ineens geen Engels meer te verstaan. Als ik dreig een nabij geposteerde agent in de arm te nemen haalt hij bakzeil. Grijnzend rijdt hij weg. Leuk geprobeerd, andere keer beter kameraad!
Ik neem mijn intrek in hetzelfde hotel Ciao. Layla begroet me allerhartelijkst. Vandaag ziet ze er nog opgedirkter uit als eerder die vakantie. Nu ben ik alerter en wijs twee kamers af: één heeft geen leeslamp, de ander geen warm water. Ik ga de stad in en richt me naar de wijk Imbaba (een fundamentalistisch bolwerk, zegt men, maar de mensen behandelen me als westerling vriendelijk en voorkomend. Daarna naar het Tahri Plein, het drukke verkeersplein bij de Nijl en het eigenlijke geografische centrum van de stad met veel toeristenhotels e.d. Bij een 70-jarige Armeniër (zijn moeder was een Turkse non!) voor fl 80 souvenirs gekocht met mijn Eurocard. Hij spreekt wel zes talen, waaronder vloeiend, maar heel ouderwets Duits; geleerd op het Goethe - Instituut. Zijn broer is landbouwkundig ingenieur in Utrecht. Aardige ouwe baas, die ik graag iets laat verdienen. Hij woont niet achter zijn toko, maar in een flatje in een voorstad. Al zijn zonen zijn dokter of ingenieur, althans dat beweert hij. Over zijn dochters heeft hij het niet, misschien heeft er geen. Ik vraag maar niet door. Met politiek en religie houdt hij zich niet op. Te gevaarlijk in deze tijden, zegt-ie.
![]() |
![]() |
Het begint zachtjes te regenen, wat uiterst zelden voorkomt in deze door zandstormen geteisterde menselijke mierenhoop. Ik zwerf verder kriskras door de stad. Als ik weer bij het hotel terug ben staan Mohammed en Layla me al op te wachten. Ze hebben ontdekt dat ik in mijn paspoort geen stempel van de politie heb, die is noodzakelijk voor de uitreis! Ze vertellen me gruwelijke verhalen over vliegtuig missen, opsluitingen en zo meer. Maar geen nood, er is een mouw aan te passen. Een vriend van hen is politieagent en hij is wel genegen om een geantedateerde stempel te fabriceren, 'No Problem!'.
Het voorstel van de receptie bevalt me. Mohammed springt op zijn bromfiets en gaat het paspoort wegbrengen naar een politiepost. Na een half uur komt een jonge politieman binnen en overhandigt me al grijnzend en knipogend het alsnog afgestempelde paspoort. Ik betaal hem hiervoor fl 15 smeergeld. De receptie bedeel ik met een dikke fooi bij mijn vertrek.
's Avonds word ik aangesproken door een man die zijn Duits wil oefenen. Hij heeft dit in Osnabrück geleerd. Hij bracht het er heel goed vanaf, moet ik zeggen. Later verschijnt de gérant om me uit te vragen over het Duits van de man. Nu blijkt dat hij me expres heeft aangesproken om de hotelstaf te bewijzen dat hij goed Duits spreekt. Hij heeft namelijk als receptionist gesolliciteerd en zijn kennis van het Duits schijnt daarbij een zwaarwegende factor te zijn. Ik beveel hem aan, weer eens een goeie daad verricht.