|
| |||||||
Uitbraak van paniek: bijna-ramp |
|
Tegen de middag zijn de wegen veel smaller geworden. In een dorp in een dal lopen we vast, een letterlijke opstopping vanwege wegwerkzaamheden. Twintig meter voor ons staat een truck, waarvan plotseling de motor vlamvat. Hee, leuke afwisseling vinden we, totdat iemand van ons gezelschap merkt dat het gaat om een tankauto met benzine. Men voelt de explosie al aankomen; in paniek vlucht iedereen de bus uit. De westerlingen nemen de reguliere uitgang (proppen en dringen geblazen dus met onze logge en grote lijven), terwijl de veel kleinere Chinezen zich door de openstaande ramen in veiligheid brengen door de hellingen op te vluchten. Jos kan zijn schoenen niet meer vinden en treuzelt zo lang dat hij als laatste achterblijft, samen met een van plezier kraaiende kleuter (die vindt dat tumult maar wat spannend), een op de achterbank door zijn moeder verlaten krijsende zuigeling en een mekkerende geit. Vooraan blijkt een kreupele man zich onder een bank te hebben verscholen.Het inferno gaat echter niet door; een moedige Chinees weet met dekens en jassen met gevaar voor eigen leven het vuur te blussen. De ramp wordt afgewend. De spanning en angst ontladen zich in een pittige scheldpartij tussen de autochtonen (de wegwerkers met hun teertonnen) en de raszuivere Han - Chinezen (de chauffeurs). (Zie foto hieronder) Het wordt een soort rituele dans van kemphanen. Om beurten stappen ze op elkaar af om elkaar de grofste verwijten en beledigingen naar het hoofd te slingeren. (Meestal gaan die over hun wederzijdse moeder...) Hoewel ze uiterst agressief overkomen, raken ze elkaar met geen vinger aan. Wij westerlingen zijn hevig geïnteresseerd en staan met de camera's in de aanslag, want als het op matten aankomt willen we niets missen. De opgewonden Chinezen weten zich echter te beheersen en zoeken hun veilige plekje bij de teerton of achter het stuur weer op. Als de karavaan onverwacht toch verder kan, loopt alles met een sisser af. |
|
Tot Dali volgt een schitterend landschap dat wordt bewoond door het Bai-volk, een grote minderheid van enkele miljoenen. In de middeleeuwen bestond er een machtig Bai koninkrijk, dat echter in de dertiende eeuw werd weggevaagd door de Mongoolse horden van de Kublai Khan, die op weg waren om in Burma de duizenden Boeddhistische tempels van Pagan te vernietigen. Nooit heeft het zich daarvan kunnen herstellen. Dali is de voormalige hoofdstad en de stad is dan ook ommuurd en versterkt.
|
Om half acht 's avonds komen we in Nieuw-Dali, de stad Xiguan, aan. We hebben geen minuut tijdwinst geboekt en Clim eist dan ook op hoge toon zijn extra yuan van de grootgebekte chauffeur terug. Hij vangt bot. Natuurlijk. We huren een busje om in het oude stadje te komen. We worden in het beste hotel (Number One) ingekwartierd. (Het enige andere goede hotel heet veelzeggend Number Two...) We vinden een eigen eettentje, het Woodland Restaurant, waar we hoog gewaardeerde gasten worden. De groep habitueert het Tibet Café, een hippieachtig etablissement waar de backpackers samendrommen. Tot onze verrassing ontpopt het stadje zich als zeer toeristisch met honderden stalletjes, kraampjes en souvenir winkeltjes. We slaan lauw bier in. Morgen slapen we uit. |
|
|