|
|
| ’s Middags vertrek ik met de trein alleen naar Amsterdam. Ik ga op eigen houtje een vijftiendaagse reis door Egypte maken. Ik heb een avondvlucht geboekt, waardoor ik me vanuit Roermond op weg naar de luchthaven in Amsterdam niet echt hoef te haasten. Op Schiphol verloopt bij de incheck procedures alles voorspoedig. Terwijl ik net rustig op het toilet zit, vang ik iets uit de luidsprekers op over "cancelled" en "Caïro". Heb ik als hardhorende het wel goed verstaan? Ik spoed me naar de incheckbalie voor eventuele info. Daar begint de ellende. |
|
|
De vlucht uit Caïro heeft vertraging en mag niet meer op Schiphol landen i.v.m. geluidshinderwetten; na 11 uur 's avonds opstijgen is al helemaal uit den boze. Het vliegtuig wijkt daarom uit naar de luchthaven Zaventem bij Brussel, waar de regels minder streng zijn. Typisch België.
We moeten terug door de douane, dus ook de reeds ingekochte sigaretten en drank moeten weer ingewisseld worden. Gevolg: een run op de taxfree shops. Ook ik ruil mijn aankopen in, met de bedoeling op Zaventem nieuwe artikelen in te slaan.
Vijf bussen komen voorrijden. Onze bagage is weer op de band verschenen. Sommige reizigers missen hun koffer, waardoor er extra lang moet worden gewacht. Het inladen in de bussen vormt ook een probleem, er is te weinig bagageruimte, dus een aantal koffers wordt gemakshalve in de gangpaden geparkeerd. |
![]() |
![]() |
|
De bussen vertrekken om negen uur, één uur later dan gepland. Tweeëneenhalf uur later aankomst in Brussel. De luchthaven is niet in bedrijf. Alle winkels zijn gesloten. Je kunt er geen geld wisselen om met Belgisch geld in ieder geval iets uit de automaten te kunnen halen. Niemand heeft dan ook frankjes voor de koffieautomaten en dergelijke. Behalve drank en sigaretten heb ik ook nog eens geen boek voor onderweg en goedkope fotorolletjes kunnen aanschaffen. We zijn de enige reizigers in de uitgestrekte, maar volstrekt lege vertrekhal. Sabena - meisjes worden thuis uit hun bed getrommeld. Met lange gezichten doen die hun werk. Als we ingecheckt zijn, moeten we nog een uur wachten. Ook de brandstofvoorziening heeft vertraging opgelopen. Pas tegen drie uur ‘s nachts zitten we in de lucht.
Ergens boven Frankrijk verschuif ik mijn bril op mijn neus, met als onverwacht gevolg dat er een pootje vanaf breekt. De rest van de vakantie moet ik het doen met mijn reservebril die veel zwaarder is en minder sterke glazen heeft. Ik baal stevig.
We landen in Hurghada. Niemand mag er uit. Niemand mag roken. De catering is gestopt; er zijn geen drankjes meer of wat om op te te knabbelen, alles is op. Rondom ons heerst de stilte van de woestijn; verderop zijn alleen schuttersputjes en legerbarakken zichtbaar. De airco is uit, de temperatuur stijgt tot boven de dertig graden. Ik begin te zweten. Ik snak naar een sigaret of een verversing. Kinderen beginnen te huilen, mannen vloeken binnensmonds. Na anderhalf uur kunnen we eindelijk vertrekken. Een verontschuldiging van het personeel kan er niet af. Tegen twaalf uur komen we eindelijk in Caïro aan, bijna een halve dag te laat. Met vuile broek (daar is pudding op gevallen) meld ik me voor het visum bij de vertegenwoordiger van de reisorganisatie Rosetta uit Nijmegen, waar heb ik het goedkope ticket heb gekocht. Hij weet echter van niets, mijn naam komt niet op zijn lijst voor. Dus stap ik maar zelf in de rij voor het visumloket. Het officiële toegangsbewijs voor Egypte kost twintig dollar, die heb ik gelukkig contant bij me. Egyptische ponden heb ik nog niet, er moet dus gewisseld worden, onder andere om een taxi te kunnen betalen.
Ik schrijf enkele traveler cheques uit bij een bankkantoortje. Na lang wikken en wegen en argwanende blikken op mijn niet al te florissante uiterlijk en nadat ik tien voorbeeldhandtekeningen heb gezet, weigert de bankbeambte uiteindelijk de cheques in te wisselen. Hij vermoedt dat de handtekening vervalst is. Ik ga over de rooie en scheld hem uit. Als je moe en opgewonden bent, kun je nooit precies dezelfde handtekening zetten! Bovendien is die man het westerse schrift niet gewend. Zonder te wisselen en dus ook zonder Egyptische ponden ga ik door naar de paspoortcontrole. Als het goed is kan ik ook achter de douane geld wisselen.
Ik kom daar op een bijzonder ongelegen moment aan en moet aansluiten achter een Jumbojetlading Fransen die net is aangekomen. Als ik aan de beurt ben, word ik in een kamertje apart genomen; daar word ik gevisiteerd door een douanier. Hij en een politieagente onderwerpen me vervolgens gedurende een half uur aan een kruisverhoor. Wat kom ik hier alleen doen? Waarom ben ik niet met een reisgezelschap? Waarom heb ik vooraf geen hotel gereserveerd? Waar heb ik die cheques gekocht? Dáár draait het dus om; die baliekluiver van de bank heeft de politie getipt over een verdacht westers individu met bloeddoorlopen ogen en vieze kleren. Ze eisen mijn aankoopbewijs te zien, maar dat zit in mijn reistas achter de douane. |

|
Ik krijg toestemming om mijn tas bij de band op te pikken, onder begeleiding weliswaar. De band uit Brussel staat stil en is helemaal leeg, nergens kan ik mijn tas bespeuren. Vertwijfeld maan ik mijn begeleider tot actie. Die gaat ergens navraag doen, maar vergeefs. Tot mijn grote opluchting vind ik uiteindelijk zelf mijn tas, schuilgaand achter een pilaar.
Terug naar de verhoorkamer. Mijn reistas wordt helemaal overhoop gehaald, maar als ik uiteindelijk de aankoopbewijzen van mijn cheques kan tonen, lijken ze tevreden. Sadistisch lachend sturen ze me opnieuw naar de paspoortcontrole. Deze keer moet ik aansluiten achter een Airbuslading toeristen uit Düsseldorf. Ik baal als een stier. Maar er is een lichtpuntje: de enige tax free shop ter plaatse accepteert mijn Visa - creditcard en verkoopt bovendien whisky. Maar geen sigaretten zoals mijn vaste merk Gauloises, geen Fuji - fotorolletjes, geen boeken in het Engels. Gelukkig heb ik nog drie pakjes van Nelle op voorraad, dus voorlopig kan ik vooruit.
Buiten gekomen vertrekt pal voor mijn neus de bus naar het centrum. De volgende gaat pas een uur later. Dat hebben de taxichauffeurs ook in de gaten, ze belagen mij in groten getale. Gelukkig beginnen ze niet aan me te plukken, want dat zou me razend maken. Ik kies er een uit die een woordje Engels spreekt en blij met zijn vrachtje jaagt hij zijn opdringerige collega’s weg. Dat is precies wat ik moet hebben: ik kan voorlopig even niets aan mijn kop verdragen. |
![]() |
Een
aardige vent, die chauffeur. Het is druk op de weg, maar hij let niet echt
goed op het verkeer. Als ik hem een sigaret aanbied, draait hij zich helemaal
naar mij om. Op dat moment voegt een bus in, de taxi schampt de bus in de
flank. Bus stopt, taxi stopt. De beide chauffeurs onderhandelen, er worden
adressen uitgewisseld, of misschien is het wel geld. De schade van het ongeluk
is in mijn ogen licht en louter materieel.
De chauffeur van de taxi heeft inmiddels een gedaanteverandering ondergaan. Weg aardigheid. Op hoge toon eist hij van mij honderd dollar schadevergoeding; hij schuift mij de schuld van de aanrijding in de schoenen, want ik had hem afgeleid met die sigaret. Ik kan me niet in zijn redenering vinden en weiger dan ook om één cent te betalen. Als hij me aflevert bij het door mij opgegeven hotel 'Ciao' (dat ik uit de Lonely Planet -gids geplukt heb) geef ik hem uiteraard geen fooi. Hij volgt me tot in de lobby, aan mijn kleren trekkend, gesticulerend en schreeuwend. Zijn kennis van het Engels is hij ineens vergeten. Het hotelpersoneel moet me met drie man tegelijk ontzetten. |
|
Ik krijg een kamer toegewezen en wil me direct gaan douchen, want het is warm hier, ik zweet als een otter. Er komt echter geen druppel water uit de kraan. Receptie gebeld, komt een verschrompeld mannetje de leiding aansluiten. Opnieuw onder de douche, geen warm water nu. Weer hetzelfde mannetje constateert dat de boiler stuk is. Daarna krijg ik een andere kamer; ik moet alle reeds uitgepakte spulletjes verhuizen naar drie etages hoger. Geen nood, ik kan de lift nemen, denk ik. |
![]() |
![]() |
|
De lift is net kapot (of er is gewoon een stroomstoring, dat komt vaak voor hier), dus dat wordt weer sjouwen geblazen. Ik moet toegeven dat het mannetje ijverig mee helpt verhuizen. Ik bedenk dat hij ook niets aan mijn ellende kan doen en geef hem een dollar baksjies. Een dollar ja, want ik heb nog steeds geen Egyptisch geld.
Het is inmiddels vier uur in de middag geworden. Ik besluit om nog een paar uurtjes te gaan pitten, slaaptekort inhalen, maar na een kwartier lig ik nog steeds klaarwakker. De afgelopen vierentwintig uur heb ik te veel emoties doorgemaakt. De Wet van Murphy heeft meedogenloos toegeslagen. Daarop besluit ik om me maar onversaagd in de mierenhoop van Caïro te storten. Veel méér mis kan er niet meer gaan tenslotte. |