|
|
Dindag 25 februarikarnaval in CádizKaart: Cadiz / Cadiz centrum / Meer info Cádiz
Om acht uur werd ik door Don Pedro met een klop op de deur gewekt. Ik had besloten om die dag naar het karnaval van Cádiz te reizen, maar toen ik om 9 uur op het station verscheen, bleken honderden Sevillianen op hetzelfde idee te zijn gekomen. Pas om 12.00 uur bereikte ik in een overvolle trein de oude oorlogshaven Cádiz, die omringd door zware muren op een schiereiland ligt. Ze is 3000 jaar oud, waarschijnlijk gesticht door de Feniciërs. Urenlang zwerf ik door de zonovergoten, met historie beladen stad. Ze telt 200.000 inwoners, maar dat aantal heeft zich vandaag volgens de kranten verdubbeld door al die belangstellenden voor de carnavalsoptocht, ze komen van heinde en ver.
Er zijn weinig mensen verkleed, alleen kinderen en sommige jeugdigen. Deelnemers aan de optocht zijn vooral koren en zanggroepen op praalwagens. Ze zingen zelf gecomponeerde liederen waarbij de begeleidende muziek (trommel, gitaar) secundair is. Het komt op mij over als een combinatie van Braziliaans en Rheinländisch. Er wordt behoorlijk gedronken, incidenteel wijn en sterke drank, maar vooral toch bier (een drank die hoe dan ook in opmars is in Zuid - Europa). Ik moet mezelf af en toe met de grootste moeite bedwingen om gewoon zorgeloos met hen mee te gaan hijsen. De kijklustigen verdringen zich op de plaza's, waar de groepen comédiennes en muzikale clowns geheel in hun spel opgaan en het gapende publiek naar hartenlust bespelen. Ook in de stillere gedeelten van de stad, bijvoorbeeld op de bastions langs de kust en de pier, liggen overal stille getuigen van een uitgelaten feestnacht: slingers, confetti, scherven van bierflessen. Ik maak veel gebruik van de telelens. De diepe schaduwen in de steegjes vormen hierbij wel een nadeel. Ik schiet nog wat plaatjes aan het strand, van de rotskust en vanaf de pier. Ook de ietwat exotisch uitziende kathedraal heeft mijn belangstelling.
MEER INFO CÁDIZ
Achter de moderne hoogbouw van het haven- en industrie centrum vindt men de charme van de oude stad.
NOG MEER INFO CÁDIZ
De Andalusische havenstad Cádiz (150.000 inwoners), provinciehoofdstad en zetel van een bisschop, is beroemd vanwege haar uitzonderlijk mooie ligging op een uit de zee omhoogstekende schelpkalkrots aan het eind van een 9 km Mange landtong, die zich in de Goll van Cadiz, de Bahia de Cadiz, uitstrekt en door een brug met het vasteland is verbonden. Sterke muren tot 15 m hoogte beschermen de stad tegen de branding; het verschil in eb en vloed bedraagt hier bijna 2 m (bij springvloed zelfs 3 m). De hoge witte huizen met platte daken en balkons en karakteristieke uitkijktorentjes ('miradores'), de parken met de vele palmbomen en een weids uitzicht over de oceaan geven Cadiz een uitzonderlijke bekoorlijkheid waardoor zij de bijnaam 'una taza de plata' kreeg (=een zilveren kom).
GESCHIEDENIS. - Cádiz is zeker de oudste historische stad van het Iberisch schiereiland. Zij is onder de naam Gadir ('vesting') ca. 1100 v. Chr. door de Feniciërs gesticht als stapelplaats voor tin en zilver, werd ca. 500 v.Chr. bezet door de Carthagers, die van hier in Zuid-Spanje doordrongen. In de tweede Punische oorlog viel Gades in handen van de Romeinen, onder wie de stad tot grote bloei kwam. Griekse geleerden bestudeerden hier de hen onbekende getijden van de zee, en ook de keuken van Gades was in die tijd wereldberoemd. - In de middeleeuwen verloor de stad, die door de Arabieren Dschezirat Káidis gedoopt was, haar betekenis, tot na de verovering door Alfonso de Wijze (1262). Na de ontdekking van Amerika ging de zilvervloot hier voor anker. De latere oorlogen, in het bijzonder het verlies van de koloniën, veroorzaakten een nieuwe teruggang, waarvan de stad zich pas in de moderne tijd hersteld heeft.
BEZIENSWAARDIGHEDEN. - Van het vasteland komt men of via Puerto Real over de tolbrug (Puente de Peaje) of over de in San Fernando beginnende snelweg. Via de Puerta de Tierra (1755) komt men in de stad en bereikt via de Plaza de Santa Élena en door de Calle Calesas in noordwestelijke richting, langs het station, de haven. Meteen links de Plaza San Juan de Dios, een mooi plein met het imposante, in 1816 gebouwde Ayuntamiento (stadhuis). Verderop loopt de lange, met palmen begroeide Avenida Ramon de Carranza langs de haven tot aan het in 1773 opgerichte gebouw van de Gobierno Civil, het Provinciehuis. Daarachter staat op de grote Plaza de Espaha een reusachtig monument ter herinnering aan de algemene volksvertegenwoordiging van de Cortes, die van 1810- 12 in Cadiz zitting had en er de grondwet van 1812 opstelde.
Ten noorden van de Plaza de Espana de Alameda de Apocada en de links aansluitende Alameda Marqués de Comillas" met prachtig uitzicht over de noordkant van de burcht. Links aan het eind van de Alameda de barokke kerk Nuestra Senora del Carmen (1737-64) met twee torens, mooi binnenhof en altaarbeeld van El Greco. Aan de noordwestkant van de stadsheuvel strekt zich vlakbij de zee het grote Parque Genovés uit, met een zomertheater en fraaie palmentuin; vanaf het platform van een grot weids uitzicht. Verder naar het zuiden, aan de andere kant van de balustrade van het Castillo de Santa Catalina, de baai La Caleta, met het 0 Playa de la Palma. Links het provinciale ziekenhuis Hospital de Mora (1904) en het Wees- en armenhuis Hospicio Provincial. Aan de zuidkant van de Caleta, op een ver in de oceaan uitstekende rotspunt het Castillo de San SebastiSn, met vuurtoren.
Langs de zuidelijke kademuur van de stad loopt de lange Avenida Primo de Rivera. Meteen links een voormalig Kapucijnen - klooster (nu een psychiatrische inrichting). In de Santa Catalina kerk uit begin 1639 (ingang via de hof) bij het hoofdaltaar de 'Verloving van de H. Catharina', het laatste werk van Murillo; tijdens de uitvoering hiervan viel hij van de steiger en stierf op 3 april 1682 in Sevilla aan zijn verwondingen. Van dezelfde meester ook 'De littekens van de H. Franciscus'. – Verder langs de koorzijde van de Nieuwe kathedraal; dan links de kerk El Sagrario, de 'Oude kathedraal', oorspronkelijk uit de 13de eeuw, maar na haar verwoesting in 1596 in renaissancestijl herbouwd (1602 voltooid); binnenin schilderijen en een rijk versierd hoogaltaar van Saavedra (ca. 1650). Van El Sagrario via zijstraatjes in noord westelijke richting naar de Plaza de Pio Xll; aan de zuidkant daarvan de Nieuwe kathedraal (Catedral Nueva), in 1722 door Vicente de Acero begonnen, maar pas in 1838 voltooid. Binnen in deze driebeukige kerk (85 m lang, 60 m breed), imposante pilaren en prachtige vieringkoepel (52 m hoog); fraai koorgestoelte uit de 18de eeuw van Pedro Duque Cornejo; crypte met bisschopsgraven en het grafmonument van de componist Manuel de Falla; schitterende kerkschatten, waaronder een kostbare zilveren monstrans en waardevolie schilderijen, o.a. van Murillo. Vanaf de oostelijke klokketoren weids uitzicht. In de binnenstad met vele smalle straatjes, enkele mooie pleinen, waaronder de met palmen begroeide Plaza de Castelar noordelijk van de Nieuwe kathedraal; standbeeld van de staatsman Emilio Castelar (1832-99) met daar tegenover zijn geboortehuis. In het westen van de oude stad de diagon'aal lopende Calle del Sacramento, met rechts de Torre del Vigia (34 m hoog) op het hoogste punt van de stad, met mooi uitzicht. Niet ver ten zuiden hiervan, in de kapel van het Hospital del Carmen de Mujeres, een 'San Francisco' van El Greco. Ten noordwesten van de Torre de Vigia, in de Calle Santa Inés, de kapel San Felipe de Neri, een ovaal gebouw uit 1671, waar de Cortes in 1812 zitting had (gedenkplaat aan de westkant); op het hoogaltaar de 'Onbevlekte ontvangenis' van Murillo. Aangrenzend aan de zuidkant van de kapel het Museo Historico Municipal (Stadshistorisch museum), o.a. met interessante maquettes, waaronder een van Cádiz.
De Calle San José gaat in noordelijke richting verder, naar de Plaza del Generalisimo, met parken; aan de oostzijde het Museo de Bellas Artes, met interessante collectie van Zurbaran, werken van Murillo, Alonso Cano en moderne kunstenaars. De belangrijkste werken zijn de schilderijen van Francisco de Zurbaran, de 'monnikenschilder'. De serie in het museum komt uit het karthuizerklooster te Jerez: Johannes de Evangelist, Lucas, Johannes de Doper, Laurentius- aan wie het Escorial is gewijd - Marcus, Mattheus, en twee doeken met portretten van de grondleggers van de karthuizerorde: St. Bruno en St. Hugo van Grenoble. (Bij deze orde had iedere monnik zijn eigen huisje, gelegen aan de kloosterhof. Eéns in de week sprak hij met collega's.) Alle schilderijen zijn tussen 1630 en 1640 gemaakt. Op de begane grond het Museo Arqueologico, o.a. met grafvondsten uit de Fenicische necropolis van Cadiz, waaronder een unieke sarcofaag. - Niet | ver ten zuidoosten van de Calle Rosario de kerk Santa Cueva (1738), ook een ovaal ontwerp; binnenin muurschilderingen van Goya (1795). |
|
|